We lopen tegen het eind van een wel heel bijzonder jaar. De overzichten van de kranten en tijdschriften en van de televisie- en radiozenders, zullen voor een groot  deel gaan over het coronadrama. Want dat wás en ís het nog steeds. Soms, vooral in het begin van de verspreiding van het virus, werd er een vergelijking gemaakt met de Spaanse griep. Dat was ver gezocht, want dat virus heeft gezorgd voor miljoenen dodelijke slachtoffers. De medische wetenschap stond nog in haar kinderschoenen en was niet toegerust op de stroom van besmette patiënten. Bijna geen dorp ontkwam aan deze verschrikking. In dezelfde tijd heerste ook tuberculose. Goede medicijnen waren er nog niet. Toen ik jaren geleden op een zondagmiddag over onze oude begraafplaats dwaalde -ik was bezig onze familie in kaart te brengen, ontmoette ik er steenhouwer Gezinus Schuiling. Altijd in voor een praatje zijn we toen samen opgelopen en hij wees mij meer dan eens op een zerk van een Spaanse griep- of tbc-slachtoffer. Eén van hen was een vroege voorvader van mij. De vader van mijn vader, gestorven aan het eind van 1920. Precies honderd jaar geleden dus. Zijn afwezigheid zou voor een deel het leven van mijn vader ontwrichten en vervolgens het onze mede bepalen. Hij was 26 toen hij stierf. Het merendeel van de coronaslachtoffers is hoogbejaard of had onderliggende ziektes. Althans, dat was het beeld dat in het begin van de crisis naar voren kwam. Dat beeld is drastisch bijgesteld. Er sterven nu ook jonge mensen aan het virus. Wat mij gaandeweg steeds meer stoorde was de groeiende tweespalt in de maatschappij tussen de ‘weters’ (artsen, virologen, onderzoekers) en de mensen die het denken te weten, onder hen  zogenaamde virusontkenners, complotdenkers en allerlei warhoofden. Ik heb een heilig vertrouwen in de medische wetenschap en de uitvoerders ervan. Het is zeker waar dat de farmaceutische industrie niet zelden een kwalijke rol speelt. Dat valt niet te ontkennen. Denk maar eens aan het ongeremd opjagen van de prijzen van essentiële medicijnen. Af en toe kwam ook de mare langs dat dit virus misschien toch ook wel iets goeds bij de mens naar boven zou brengen. Daar geloof ik maar ten dele in. De samenleving is door de verafstanding, de social distance, juist veranderd in een maatschappij waarbij wij elkaar bijna angstvallig ontzien. Het is bijna eng om te ervaren dat wij elkaar in de supermarkt zwijgend passeren. Dat voorspelt nog niet veel goeds. En de supermarkt is bijna de enige plaats waar we elkaar nog kúnnen treffen. Van het gewoonlijke flaneren door een stadsstraat moeten we nog weken en wie weet nog maanden afzien. Tja… 

Ik heb de kerst- en nieuwjaarskaarten voor familie, vrienden en kenissen in de brievenbus gedaan, vrienden van de koffiehoek en leden van het dorpshuis, die ook niet goed raad weten met het steeds wisselende landsbeleid, een papieren steuntje in de deur gestopt en alzo zingen we dit duistere jaar uit. Ik wens bij deze iedereen prettige kerstdagen en een voorspoedig en vooral een gezond 2021 toe. Zet’m op en kop ‘d er veur!! 

                                                                      Willem.                      

Geef een reactie