Over de jongeren

621

Waar je het als ouderen onderling weinig over hebt, zijn de jongeren. Niet zo vreemd, want je hebt die levenstijd ver overschreden en denkt het liefst vooruit. Tenzij je een beroep hebt (of hebt gehad) waarbij jongeren juist een belangrijk deel uitmaken van je werk. In het onderwijs bijvoorbeeld, in de zorg of jeugdzorg. Mensen in deze beroepen weten dat een groot deel van de jongeren het niet makkelijk hebben. Dat de prestatiedrang slopend kan zijn, dat de veranderingen zich razendsnel voordoen en dat de buitenwereld vijandig en gevaarlijk is en weinig meelevend. De gevolgen hiervan zien we nu er steeds meer bekend wordt over hoe de jongeren de coronaperiode hebben doorstaan. Heel veel teerden weg in eenzaamheid, stress en één op de vijf jongeren had zelfs neiging het bijltje er bij neer te gooien. Dat is zorgwekkend. Het heeft voor een groot deel te maken met die prestatiebubbel waarin zij zich bevinden. Dat geldt overigens niet alleen voor de jongeren, maar evengoed voor de ouders van die jongeren. Ook bij hen ligt de lat vaak te hoog. Zowel voor hun eigen kunnen als voor de opvoeding van de kinderen. Kortom, er wordt enorm veel van de leerling, de student en de werkende gevraagd en het is dus geen wonder dat er zoveel mensen onderdoor gaan. Tegen hun grenzen aanlopen, opgebrand raken. Als ik lees dat de ‘markt’ van het een of ander overspannen is, denk ik met name aan de mensen die deze markt betreft en hoe zij zich hier nog staande in kunnen houden. Daarbij komt dat we moeten omschakelen van verspillende grootverbruikers naar berekenende afwegers. De lonen en met name de jeugdlonen stijgen weliswaar, maar de inflatie gooit weer roet in het eten. Daardoor zullen zij per saldo niet meer te besteden hebben dan nu en dat zal weer ten koste gaan van hun koopgedrag. Het lijkt me niet eenvoudig zich in deze chaotische wereld, met zijn ontelbare verlokkingen, uitdagingen en internetgevaren, als jongere rustig te houden.

Het is te makkelijk om voor dit soort zaken de neus op te halen en te zeggen dat wij het vroeger ook niet makkelijk hadden en dat de jongeren van tegenwoordig verwend zijn en zich alles maar kunnen permitteren. Dat geloof ik niet. Ze zijn er uiteraard bij, maar die zullen op zeker moment net zo goed te maken krijgen met de klappen van de zweep. Niet zelden betreft het ouders die bijgeschoold moeten worden omdat hun kinderen hen te slim af zijn.

Ik moest hieraan denken toen ik laatst zaterdag bij de Hema in Veendam bij de kassa mijn beurt afwachtte. Er stond een man voor me van naar ik schatte mijn leeftijd. Hij foeterde nogal dat het allemaal zo lang duurde. Achter de toonbank stonden een paar meisjes van minimale leeftijd. Het zouden zijn kleinkinderen kunnen zijn. Mensen van plusminus 70 jaar hoeven zich doorgaans niet meer zo druk te maken. Van een parkeermeter kon geen sprake zijn. Ik had met de meisjes te doen. ‘Rustig maar, maandag moeten ze weer blokken’, had ik tegen hem willen zeggen, maar ik wist niet hoe hij daar op zou reageren. Of hij überhaupt wist wat dat was: blokken. Die paar centen zouden hun wel uitkomen. Zonder iets te zeggen rekende hij af en stievelde weg. Ach ja, men scheldt weleens op de jongeren, maar dat is zo makkelijk als men zelf niet meer hoeft. Het is net als met de inzet van vrijwilligers: denk ze weg en de maatschappij komt krakend tot stilstand.

Willem.